Handreikingbaklijst

Uit woorden.wiki.kennisnet.nl
Ga naar: navigatie, zoeken


Inhoud

Handreiking bij de Basiswoordenlijst Amsterdamse Kleuters (BAK)




De Basiswoordenlijst Amsterdamse Kleuters is verdeeld over zes lijsten, twee voor groep 1 en twee voor groep 2. Hieronder wordt verder ingegaan op wat er in de lijsten te vinden is, hoe ze precies zijn samengesteld en hoe er mee te werken valt.

De lijsten voor groep 1

Lijst 1, de lichtblauwe op de placemat, bestaat uit elementaire woorden.
Ieder kind in groep 1 moet deze kennen. Ze vormen het fundament voor de opbouw van de woordenschat. Het gaat hier om de meest frequente woorden, woorden die zeer vaak gebruikt worden in de kleutergroepen, door leerkrachten, in boekjes en door Nederlandstalige kleuters. Deze woorden zijn frequent en algemeen, ze hebben een brede spreiding, dat wil zeggen dat ze in veel verschillende contexten en situaties voorkomen.

Het gaat om woorden als: ik, aankijken, al, auto, daarom, cadeau, vechten, enzovoorts.
U vindt in lijst 1 ook de getallen tot en met tien, en een aantal kleuren.
Lijst 1 is samengesteld op basis van de duizend-en-een-woorden van de lijst Bacchini, e.a. (zie bronnen).
Hierin is de Welkom-woordenlijst van het programma Piramide opgenomen, aangevuld met woorden uit onder andere de lijst Schrooten en Vermeer.
Voor onze lijst hebben we enkele wijzingen aangebracht. Zo is het woord dobbelsteen weggelaten, omdat het in onze ogen niet algemeen genoeg voor lijst 1 is.
Toegevoegd is een aantal frequente en breed gebruikte woorden als weinig, dichtbij en ver weg. Ook is het woordje neer geconcretiseerd in neerleggen en neerzetten en zijn winter en lente aangevuld met zomer en herfst. Tot zover de minimumlijst.

Lijst 2, geel op de placemat, is een uitbreidingslijst.

Hierin is ten eerste de woordenlijst van Piramide opgenomen.
Weggelaten zijn ook hier woorden die weinig algemeen zijn, zoals tekenbord en adventskrans.
Voor alle duidelijkheid: bedoeld wordt uiteraard niet dat zulke woorden niet aan de orde zouden moeten komen in groep 1.
Het is alleen niet nodig ze in de lijst te zetten. Wanneer ze zich aandienen, zijn ze eenvoudig aan te wijzen en uit te leggen in de specifieke situatie.
Ten tweede zijn er woorden toegevoegd vanuit het clusterprincipe: bij woorden van lijst 1 zijn woorden gezocht die ermee in verband staan. Zo is onderin aangevuld met bovenin en staan opbergen en weggooien in lijst 2 om een goed cluster te maken met bewaren uit lijst 1.

In de uitbreidingslijst staan veel woorden die makkelijk te ‘labelen’ zijn, je kunt ze zo aanwijzen en een naam geven, bijvoorbeeld: bikini en badpak bij zwemmen.
Ook zijn er woorden te vinden die onder te brengen zijn bij een categorie die al bekend is bij het kind, bijvoorbeeld: in lijst 1 staat dierentuin, giraf, olifant. In lijst 2 staan: ijsbeer en papegaai.
De woorden die kinderen ‘gemist’ hebben in groep 1 zijn dan gemakkelijk uit te leggen door te wijzen naar een tekening of foto van het dier. Ook bevat lijst 2 een aantal samengestelde woorden zoals boodschappenkar en boodschappentas.
Ook deze woorden zijn eenvoudig te begrijpen omdat ze samenstellingen zijn uit woorden die de kinderen al kennen. Overigens zal er in de praktijk niet zo’n precieze scheiding zijn tussen beide lijsten en zullen kinderen niet precies de 1000 woorden van lijst 1 of de 1500 van 1 en 2 samen kennen.

De lijsten voor groep 2

Ook hier zijn er twee lijsten, de minimum- en de uitbreidingslijst. In de minimumlijst (lijst 3) is ten eerste de woordenlijst uit Piramide 2 opgenomen. Deze is met woorden uit andere lijsten aangevuld. Eerst hebben we gekozen uit woorden met de hoogste frequentie en spreiding van de lijst Schrooten en Vermeer. Hieruit komen woorden als: apparaat, bovendien, inkleuren, plastic, plein. Vervolgens zijn de volgende lijsten geraadpleegd: Damhuis, Litjens en de Unaniemen. Ook hier hebben we gezocht naar clusterwoorden, zoals: kamperen, camping, tent opzetten. Verder zijn er een aantal woorden naar eigen inzicht toegevoegd, bijvoorbeeld:
pretpark, na-apen, meeloper, lievelingseten. De dagen van de week en de maanden van het jaar zijn in deze lijst opgenomen, evenals getallen vanaf tien.
We weten dat er bij lijst 3 en bij lijst 4 meer vragen gesteld zullen over de keuze van de woorden dan bij de eerste twee lijsten. Ons uitgangspunt blijft de frequentie en de spreiding. Maar waarom nu bijvoorbeeld zwaluw wel is opgenomen in lijst 4 en nachtegaal niet, daar zal wel over getwist kunnen worden. Leerkrachten die bepaalde woorden missen kunnen natuurlijk gemakkelijk die woorden erbij kiezen. En als de leerkracht hier of daar een woord wil veranderen, dan zal dat geen grote problemen opleveren. De eerste duizend woorden zijn zo algemeen dat er nauwelijks over te twisten valt. Dit geldt ook nog voor de volgende duizend woorden. 2000 woorden vormen duidelijk een basiswoordenschat. Maar boven de 2000 en 3000 wordt het minder duidelijk of een kind dat woord nu in groep 2 of in groep 3 zal moeten leren. Het gaat dan niet alleen om dat speciale woord, maar om de verdere uitbouw van de woordenschat.
De basiswoordenschat (lijst 1 en 3) is het fundament waarop kinderen hun woordenschat opbouwen. Dat fundament moet stevig zijn om de woordenschat uit te bouwen. Die uitbreiding verloopt zowel kwantitatief (meer woorden kennen) als kwalitatief, dat wil zeggen dat een woord ‘dieper’ gekend wordt, met meer betekenisnuances, meer gebruiksmogelijkheden, enzovoort. ( zie Van der Nulft & Verhallen). Juist bij de iets oudere kinderen zal duidelijk worden dat de basiswoordenschat veel specifieke en persoonlijke aanhakingsmogelijkheden gaat ontwikkelen. Kinderen houden ervan dingen in de werkelijkheid specifiek te benoemen. Denk aan het gesprekje van een oma met haar kleinkind: oma: ‘Kijk, wat een mooie toettoet!’
kind: ‘Dat is geen toettoet oma, dat is een Mercedes Vito!’
Als kinderen de mogelijkheden daartoe krijgen, zullen ze hun kennis van de wereld snel en gretig uitbreiden, het zijn van nature kleine onderzoekers. Daarbij benoemen ze de verschijnselen in de wereld die hen interesseren met specifieke woorden. Zo zal het ene kind weten dat die kleine papegaaien in het park roodbandparkieten zijn, terwijl een ander het heeft over bultruggen en andere zeedieren en weer een ander over Ferrari raceauto’s.

Ter verduidelijking van de lijst

  • Waar dat nodig is, is tussen haakjes de betekenis toegevoegd, bijvoorbeeld: na (tijd), naar (richting), bol (rond).
  • Ook wordt waar nodig ter verduidelijking vermeld om welke woordsoort het gaat, bijvoorbeeld: hol (znw): hier gaat het dus om het hol.
  • We gebruiken de volgende afkortingen voor de woordsoorten:
  • voorz. = voorzetsel
  • bez. vnw = bezittelijk voornaamwoord
  • pers. vnw = persoonlijk voornaamwoord
  • znw = zelfstandig naamwoord
  • bijv. nw = bijvoeglijk naamwoord
  • tussenw.= tussenwerpsel
  • ww = werkwoord
  • voegw. = voegwoord
  • bijw.= bijwoord
  • Varianten van woorden worden met een schuin streepje aangegeven: bijvoorbeeld alsjeblieft / alstublieft.
  • Veel voorkomende en/of onregelmatige verkleinwoorden staan eveneens vermeld met een schuine streep: blad / blaadje.
  • Trappen van vergelijkingen worden vermeld met een komma: graag, liever, liefst.

Clusters en oefenvormen

We hebben de woorden bij de thema’s van groep 1 zoveel mogelijk in een bepaald verband gezet, dus geclusterd. Zo vindt u bij het thema ‘gevoelens’:verdrietig - huilen - traan - zakdoek - schoot - troosten.
De woorden staan zo in een soort mini verhaaltje.
Vaak zijn er verschillende clusters te maken rond een woord. Zo kan de leerkracht gemakkelijk een miniverhaaltje maken
bij politieagent: door rood rijden - politieagent - bekeuren – geld betalen
Maar je kunt ook een ander cluster kunnen maken, bijvoorbeeld door te rubriceren: politieagent – bakker – slager. Zo valt het woord politieagent onder de noemer: beroepen.
Er zijn allerlei consolideringsoefeningen te bedenken met woorden die bij elkaar horen, bijvoorbeeld:
wat is het? waar? wat doet het? vliegtuig lucht vliegen, auto land rijden, boot water varen, kind stoep lopen

Ook kunnen gradaties worden aangeven, bijvoorbeeld in temperatuur: ijskoud – koud – lauw – warm – heet – gloeiend
of in manieren van lopen: sloffen- sluipen–- huppelen - rennen – springen (allemaal uitbeelden natuurlijk!)
Of kunnen kinderen bouwen met woorden: Wat is het wiel van een fiets? Een fietswiel. Wat is het stuur van een auto? Een autostuur.

Bron:Handreiking Woordenschat placemat, Amsterdam

Persoonlijke instellingen