Susanne Huijbregts

Uit woorden.wiki.kennisnet.nl
Ga naar: navigatie, zoeken

Susanne Huijbregts (CPS)


Een van de kerndoelen van het basisonderwijs is dat leerlingen een adequate woordenschat verwerven en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. (Kerndoelen Basisonderwijs 2004). Een streefgetal voor het aantal woorden kan zijn 15.000 woorden receptief beheersen aan het einde van de basisschool. Om dit doel te halen moeten kinderen ongeveer 1000 woorden per jaar en dus 25 woorden per week receptief leren. Ook Cunningham (2005) geeft aan dat kinderen 5 tot zelfs 8 woorden per dag moeten leren om hun woordenschat voldoende toe te laten nemen.


In programma's en methoden voor groep 1 tot en met 8 wordt aandacht besteed aan woordenschat-ontwikkeling. Hierbij vallen twee zaken op: in veel methoden is het aantal woorden dat wordt aangeboden veel minder dan het streefaantal. In methoden die wel het beoogde aantal aanbieden, bestaat het gevaar dat door het grote aantal woorden daadwerkelijke diepe woordkennis niet wordt bereikt. Biemiller & Slonim (2001) geven namelijk aan dat leerlingen in het basisonderwijs 12 woorden per week kunnen leren. Dat is minder dan eerder werd gedacht!


Het is duidelijk dat het totale aantal woorden veel te groot is om expliciet, via directe instructie, aan te leren. In Amerika heeft het gezaghebbende National Reading Panel (2000) aangegeven dat gebruik van een instructiemethode bij het aanleren van woorden niet voldoende is. Daarom is een meersporenbeleid belangrijk als het gaat om woordenschatontwikkeling.

Woordenschat blijft niet beperkt tot het taalprogramma van de methode maar is een onderdeel van de klassencultuur. Aandacht voor woordenschat vindt expliciet plaats tijdens doelgerichte woordenschat-activiteiten zoals bijvoorbeeld de woordenschatlijn van de taalmethode. Daarnaast is ook impliciete aandacht voor woordenschat belangrijk. Bijvoorbeeld tijdens de zaakvaklessen en het lezen op allerlei momenten.


Een meersporenbeleid voor woordenschatontwikkeling bestaat uit verschillende onderdelen.


Directe instructie

In alle vakken vindt expliciete instructie van een beperkt aantal woorden plaats. Omdat dit maar een beperkt aantal woorden per les kunnen zijn (gemiddeld 2 woorden per les), is het belangrijk een goede keuze te maken. Hiebert & Kamil (2005) geven aan woorden te kiezen op basis van:

  • Frequentie: niet de meest en de minst frequente woorden, maar de groep daar tussenin. Kinderen komen de
  aan te leren woorden in verschillende contexten tegen.
  • Het belang/noodzaak voor begrip.
  • Duidelijke betekenis, het woord is uit te leggen.
  • Het woord is te koppelen aan de woordenschat die de leerling al heeft.
  • Het is mogelijk het woord te herhalen, het liefst op verschillende momenten.
  • Het is aan te raden deze woorden vooraf aan te bieden zodat tijdens het lezen of het luisteren de leerlingen
  de inhoud beter begrijpen. Voor een goed begrip van een tekst is het immers nodig 95% van de woorden te 
  kennen. Preteaching is zeker een voorwaarde voor kinderen met een beperkte woordenschat. De woorden-
  schatdidactiek van de viertakt (Verhallen & Van den Nulft 2002) is hiervoor een goede aanpak. Ahlers en
  Kooijman (2007) benoemen de volgende aandachtspunten voor de instructie:
  - Leg duidelijk uit.
  - Leg een relatie tussen het onbekende woord en de woorden die de leerlingen kennen.
  - Geef contextuele voorbeelden.
  - Stimuleer de dialoog tussen leerlingen over het onbekende woord.
  - Maak gebruik van illustraties.
  - Laat de nieuwe woorden regelmatig terugkomen.


Woordbewustzijn en woordleerstrategieën

Omdat het niet mogelijk is voldoende woordenschat op te bouwen via directe instructie alleen, is het nodig dat we het woordbewustzijn stimuleren en ze woordleerstrategieën aanleren. Op die manier kunnen ze zelf hun eigen woordenschat uitbreiden.

Woordbewustzijn heeft te maken met nieuwsgierigheid naar en interesse voor woorden. Woordbewuste leerlingen hebben er plezier in nieuwe woorden te leren en ze toe te passen in verschillende situaties. Bij het stimuleren van woordbewustzijn speelt de leerkracht een belangrijke rol als model.


Woordleerstrategieën zijn strategieën die kinderen helpen om zelf de betekenis van onbekende woorden te achterhalen. Baumann e.a. (2005) noemen een aantal strategieën:

Maak gebruik van de context. Lees de zinnen rond het woord om te zien of je daarin de betekenis kunt vinden. Bij gebruik van de context kun je letten op:

  -  definitie: de auteur legt de betekenis van het woord uit.
  -  synoniem: de auteur gebruikt een woord dat hetzelfde betekent.
  -  antoniem: de auteur gebruikt een tegenovergesteld woord.
  -  voorbeeld: de auteur gebruikt voorbeelden om het woord uit te leggen.

Maak gebruik van woorddelen. Kijk of je een deel van het woord wel kent.

Maak gebruik van voor- en achtervoegsels. Kijk of je de betekenis daarvan kent.

Het woordenboek gebruiken.


Woordleerstrategieën worden aangeboden via directe instructie. Besteed er per les echter niet teveel tijd aan. Veel herhalen van de strategie is nodig om de leerlingen zich de strategie eigen te laten maken.


Voorlezen

Voorlezen is ook voor kinderen die zelf kunnen lezen van belang voor woordenschatuitbreiding. Voorlezen brengt kinderen namelijk in contact met rijke teksten die nog te moeilijk zijn om zelf te lezen. Hierdoor worden begrip en leesplezier gestimuleerd.

Voorlezen is belangrijk voor woordenschatontwikkeling omdat geschreven taal meer contextuele informatie en nieuwe woorden bevat.

Een boek één keer voorlezen levert een bijdrage aan de receptieve woordenschat, meerdere keren hetzelfde boek voorlezen is noodzakelijk voor expressieve woordenschat.


Stillezen

Cunningham (2005) benadrukt dat de hoeveelheid zelfstandig lezen een significante voorspeller is voor verschillen in woordenschat, algemene kennis en tekstbegrip. Kinderen, ook kinderen met beperkte lees- en begripsvaardigheden, bouwen woordenschat en cognitieve structuren op als ze gestimuleerd worden om veel te lezen. Steven Stahl (2004) geeft aan dat kinderen die dagelijks minstens 10 minuten lezen in groep 4-7 betere resultaten op woordenschattoetsen hebben dan kinderen die niet lezen.


Inzet van de computer

Computerprogramma's kunnen effectief gebruikt worden bij woordenschatonderwijs. Verschillende educatieve uitgeverijen spelen hier op in. In de meeste computerprogramma's is het viertaktmodel van Verhallen verwerkt.


Inrichting van het klaslokaal

Effectief ingerichte klaslokalen bieden veel mogelijkheden voor leerlingen om met woorden om te gaan, ze te leren en toe te passen. Denk aan eenvoudige vormen als de woordmuur, het woordenweb en verschillende woordschema's (woordparachute, woordkast en woordtrap).


Tot slot: Woordenschatontwikkeling kan nooit als voltooid worden beschouwd. Gedurende het hele leven wordt de woordenschat verder uitgebreid. De basisschool speelt een belangrijke rol. Daar wordt het fundament gelegd. Kinderen ontwikkelen een flinke basiswoordenschat, worden nieuwsgierig gemaakt naar nieuwe woorden en leren zelf de betekenis van nieuwe woorden achterhalen. Een meersporenbeleid is hiervoor onmisbaar!